Rb. Den Haag | Amsterdam | 11-06-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:16029 | NL26.30458 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw, na omzetting uit art. 59b) | Beroep gegrond

Feiten en procesverloop

Eiser stelt de Libische nationaliteit te hebben en in 1980 geboren te zijn (r.o. 1). Hij zat in bewaring op grond van artikel 59b. Volgens een rapport van bevindingen van 9 mei 2026 weigerde hij in het busje van DV&O te stappen, waarna AVIM Rotterdam de omzetting van de grondslag op zich nam. In het gehoor zei hij geen vertrouwen te hebben in de IND en alleen asiel te willen aanvragen als hij de procedure in vrijheid mag afwachten. De minister ging ervan uit dat eiser geen asiel meer wilde en legde op 9 mei 2026 een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, op (r.o. 2.2). Er is geen ondertekend M53-formulier. Eiser verwijst naar de uitspraak van dezelfde zittingsplaats van 9 juni 2026, RBDHA 2026:15561 (r.o. 2.1). Zitting 10 juni 2026.

Overwegingen rechtbank

  • Zelfde kader als in het vorige bericht (r.o. 2.3-2.4). Met verwijzing naar RVS 2012:BW4264 en RVS 2014:4319 is de wens tot intrekking pas kenbaar als die buiten twijfel en zonder voorbehoud tot uitdrukking komt, persoonlijk of via de advocaat, mondeling of schriftelijk. Uit RVS 2025:4715 volgt dat een intrekking niet pas bestaat na een uitdrukkelijke schriftelijke verklaring. Het gaat erom dat de wens uitdrukkelijk kenbaar is.
  • Geen eenduidig antwoord (r.o. 2.5). In het gehoor is meermaals gevraagd of eiser wilde intrekken. Hij gaf geen eenduidig antwoord, zei asiel te willen aanvragen als hij vrijkwam en verklaarde meermaals te vrezen voor zijn leven in Libië. Hij heeft niet uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij wilde intrekken.
  • Busje (r.o. 2.5). Aan het weigeren in te stappen kunnen verschillende andere redenen ten grondslag liggen (vergelijk RVS 2025:4715). De grondslag is ten onrechte gewijzigd.

Conclusie en gevolgen

  • Uitspraak: beroep gegrond; maatregel onrechtmatig vanaf de oplegging; opheffing met ingang van 11 juni 2026; overige gronden onbesproken (r.o. 3).
  • Schadevergoeding: EUR 4.080 (34 dagen x EUR 120 detentiecentrum) (r.o. 4).
  • Proceskosten: EUR 1.868 (2 punten x EUR 934, wegingsfactor 1) (r.o. 5).
  • Rechtsmiddel: hoger beroep bij de Afdeling binnen één week na bekendmaking.

Betekenis

De twee Amsterdamse uitspraken passen in hetzelfde kader: beslissend is of de wens tot intrekking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud vaststaat. In de zaak van 9 juni werkte dat in het voordeel van de minister (pas intrekking bij de verklaring tegenover de regievoerder), in deze zaak in het nadeel (geen intrekking, dus geen grond voor omzetting). Een M53-formulier is niet vereist, maar zonder zo’n formulier moet het gehoor een eenduidige intrekking laten zien. Een busjesweigering of een uitlating tegenover vervoerspersoneel volstaat in geen van beide richtingen.

Noten

Trending

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder