Rb. Den Haag | Rotterdam | 10-06-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:19582 | NL26.29428 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw), Unieburger | Beroep ongegrond
Feiten en procesverloop
Eiser is een Unieburger tegen wie een verwijderingsbesluit is genomen; de uitzetting is gericht op Spanje en hij werd gehoord met een Spaanse tolk. Zijn nationaliteit staat niet uitdrukkelijk in de gelezen passages. De minister legde op 20 mei 2026 de maatregel op. Eiser stelt onder meer dat uit de maatregel niet blijkt namens welk bestuursorgaan die is genomen of dat sprake is van mandaat; de vermelding van naam en functie van de ondertekenaar is volgens hem onvoldoende (r.o. 6). De minister stelt dat de maatregel is opgelegd door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 5.3 VV 2000 (r.o. 7).
Overwegingen rechtbank
- Kader (r.o. 8). Artikel 5.3, eerste lid, VV 2000 wijst de ambtenaren aan die de maatregel opleggen. Volgens artikel 1.3, eerste volzin, VV 2000 worden de bevoegdheden uit die regeling uitgeoefend namens de minister.
- Het gebrek (r.o. 9). Bovenaan de maatregel staat alleen dat die is opgelegd door “de ondergetekende, zijnde ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3” VV 2000. Nergens blijkt dat de bevoegdheid is uitgeoefend namens de minister van Asiel en Migratie. Dat is in strijd met artikel 10:10 Awb: een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk bestuursorgaan het is genomen.
- Gepasseerd (r.o. 10). Het vormgebrek doet niet af aan de bevoegdheid van de ambtenaar. Eiser onderbouwt niet hoe hij is benadeeld: hij is met een tolk gehoord over het voornemen tot bewaring met het oog op uitzetting naar Spanje, kon vooraf telefonisch met zijn advocaat spreken en kon beroep instellen. Het gebrek wordt gepasseerd met artikel 6:22 Awb.
- Overige gronden (r.o. 2-5, 11-15). Eiser heeft zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief beëindigd (HvJ F.S.): hij kwam pas in mei 2026 terug en bouwde elders geen bestendig bestaan op. Ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, was juist omdat hij geen identificerend document had (RVS 2025:3719). Onbetwiste zware gronden 3a, 3b en 3c en lichte gronden 4c en 4d dragen de maatregel. Voortvarend: vertrekgesprek en LP-aanvraag op 22 mei, LP afgegeven op 1 juni, vlucht gepland op 10 juni 2026.
Conclusie en gevolgen
- Uitspraak: beroep ongegrond (r.o. 16).
- Schadevergoeding: verzoek afgewezen.
- Proceskosten: als gevolg van het gepasseerde gebrek EUR 1.868 (2 punten x EUR 934, wegingsfactor 1) (r.o. 10, 17).
- Rechtsmiddel: hoger beroep bij de Afdeling binnen één week na bekendmaking.
Betekenis
Het gebrek zit niet in deze ene zaak maar in de tekst van het formulier zelf: als de maatregel alleen verwijst naar “de ondergetekende” ambtenaar van artikel 5.3 VV 2000 en niet vermeldt dat namens de minister wordt gehandeld, kan hetzelfde verwijt in elke maatregel terugkomen. Hier bleef het bij een gepasseerd gebrek, omdat eiser niet was benadeeld.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19582: deze uitspraak
- ECLI:NL:RVS:2025:3719: ophouding op grond van artikel 50 lid 2 zonder identificerend document
- HvJ 22 juni 2021, F.S., ECLI:EU:C:2021:506: daadwerkelijke en effectieve beëindiging van verblijf
- HvJ 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858: ambtshalve toetsing
- Art. 10:10 Awb, art. 6:22 Awb, art. 50 Vw 2000, art. 59 Vw 2000, art. 1.3 en 5.3 VV 2000





