Rb. Den Haag | Middelburg | 28-05-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:13983 | NL26.27715 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw) | Beroep ongegrond
Feiten en overwegingen
Eiser stelt in 1981 geboren te zijn en de Algerijnse nationaliteit te hebben (r.o. 1). De minister legde op 16 mei 2026 de maatregel op; zitting 27 mei 2026. Eiser stelt dat ophouding op grond van artikel 50, derde lid, Vw alleen kan als een authentiek paspoort voorhanden is, en dat het tweede lid de juiste grondslag was (r.o. 2).
- Geen echt bevonden document vereist (r.o. 3). Voor ophouding op grond van artikel 50, derde lid, hoeven de identiteitsgegevens niet vast te staan door echt bevonden identiteitsdocumenten. Volgens het proces-verbaal van bevindingen van 17 mei 2026 toonde eiser op zijn telefoon een foto van een Algerijns paspoort, met een gelijkende pasfoto en de naamgegevens die hij eerder had opgegeven. Bij aanvang van de ophouding was genoegzaam duidelijk wie eiser is en dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.
- Gronden (r.o. 4-7). Zware grond 3f viel ter zitting af. Zware gronden 3a (binnenkomst zonder documenten of visum) en 3i (meermaals verklaard niet naar Algerije terug te willen) zijn feitelijk juist en dragen de maatregel; de betwiste grond 3b blijft onbesproken.
- Uitkomst (r.o. 8-10). Ambtshalve geen onrechtmatigheid. Beroep ongegrond, schadevergoeding afgewezen, geen proceskosten. Hoger beroep binnen één week.
Rb. Den Haag | Middelburg | 09-06-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:15544 | NL26.29814 | Vreemdelingenbewaring (art. 59a lid 1 Vw), beroep na opheffing | Beroep ongegrond
Feiten en overwegingen
Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en in 2000 geboren te zijn (r.o. 1). De minister legde op 26 mei 2026 de maatregel op en hief die op 28 mei 2026 op; schriftelijke afdoening, onderzoek gesloten op 4 juni 2026. Eiser stelt dat hij op grond van artikel 50, tweede lid, had moeten worden opgehouden, omdat hij geen geldig identiteitsbewijs had en tijdens de ophouding nog onderzoek is gedaan (r.o. 3).
- Ophouding had op lid 2 moeten berusten (r.o. 4). Het dossier laat niet zien dat bij aanvang de identiteit onmiddellijk vaststond en er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf was. De personalia zijn geverifieerd via de identiteitszuil (Basisvoorziening Identiteitsvaststelling), maar niet inzichtelijk is wat dat opleverde. Tijdens de ophouding is de bagage doorzocht, zijn een gezichtsopname en vingerafdrukken genomen en zijn volgens rapport HV-23 meerdere systemen en registers bevraagd. Die onderzoekshandelingen wijzen erop dat de gegevens voor een redelijk vermoeden van illegaal verblijf nog niet beschikbaar waren.
- Gebrek gepasseerd (r.o. 5). Na belangenafweging wegen de met de bewaring gediende belangen zwaarder; er zijn geen aanknopingspunten dat eiser door de onjuiste grondslag is geschaad.
- Ondertekening en gronden (r.o. 6-9). Ondertekend door een door de korpschef aangewezen politieambtenaar (art. 5.3 VV 2000). De onbetwiste zware gronden 3a, 3b, 3d en 3k en lichte gronden 4a, 4c en 4d dragen de maatregel.
- Uitkomst (r.o. 11-12). Beroep ongegrond, schadevergoeding afgewezen. Als gevolg van het gebrek proceskosten EUR 934 (1 punt). Hoger beroep binnen één week.
Betekenis
Beide uitspraken komen uit Middelburg en leggen de grens bij wat op het moment van de ophouding al vaststond. Was de identiteit bij aanvang genoegzaam duidelijk, bijvoorbeeld door een foto van het paspoort met gelijkende pasfoto en dezelfde naamgegevens, dan mag de ophouding op het derde lid berusten; een origineel document is niet nodig.
Moest tijdens de ophouding nog identiteitsonderzoek worden gedaan (identiteitszuil zonder kenbaar resultaat, bagage, gezichtsopname, vingerafdrukken, raadpleging van registers), en blijkt niet waarom het derde lid volgens de politie van toepassing was, dan hoort de ophouding op het tweede lid. In de tweede zaak bleef het bij een gebrek dat na belangenafweging werd gepasseerd.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2026:13983, ECLI:NL:RBDHA:2026:15544: deze uitspraken
- Art. 50 Vw 2000, art. 59 Vw 2000, art. 59a Vw 2000, art. 5.1b Vb 2000, art. 5.3 VV 2000





