Kan lang na het verlopen van de 6-maanden-grens nog een nieuw verlengingsbesluit worden genomen? Dezelfde standaardpassage over verlenging leidt in mei 2026 Utrecht tot een ongegrond en in Rotterdam tot een gegrond beroep.
Op twee punten lopen de rechtbanken uiteen. Utrecht toetst alleen of bij de oplegging een verlengingsbesluit is genomen en laat de vraag of dat eerder had gemoeten buiten de omvang van de procedure (r.o. 7);
De rechtbank ziet daarbij geen ruimte om een oordeel te geven over de vraag of het verlengingsbesluit niet éérder dan in de te beoordelen periode had moeten worden genomen. Reden daarvoor is dat in deze procedure geen andere periode ter beoordeling voorligt dan de hiervoor genoemde periode. In zoverre is in deze procedure uitsluitend relevant of voorafgaand aan of bij het opleggen van de maatregel een rechtmatig verlengingsbesluit is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, het geval.
Rotterdam leest in Aroja, punt 87, dat een verlengingsbesluit na het verstrijken van zes maanden niet meer kan worden genomen.
Dat betekent dat het verlengingsbesluit te laat is opgelegd, zoals ook in het besluit is onderkend. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de voorliggende maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest, nu er geen verlengingsbesluit meer opgesteld mocht worden omdat de maximale duur van de inbewaringstelling van zes maanden reeds was overschreden.
Utrecht vindt het ontbreken van een apart gehoor over de verlenging niet schadelijk als de einddatum gelijk blijft; Rotterdam (met Groningen) eist een zienswijze. In de Rotterdamse zaak lag de cumulatieve termijn al ruim een jaar achter de rug; Utrecht kreeg die vraag niet voorgelegd. Hoe Utrecht een vergelijkbare termijnoverschrijding zou beoordelen, blijkt niet uit de uitspraak.
Utrecht: beroep ongegrond
Rb. Den Haag | Utrecht | 04-05-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:10514 | NL26.21371 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a en lid 6 Vw) | Beroep ongegrond
Feiten en overwegingen
Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en in 1960 geboren te zijn (r.o. 1). Hij verblijft sinds 1998 illegaal in Nederland. Het terugkeerbesluit dateert van 4 januari 2013 en is op 31 maart 2026 aangevuld. Op die dag legde de minister de maatregel op. Volgens de aanbiedingsbrief van 24 april 2026 zat eiser op dat moment al twaalf maanden op basis van dit terugkeerbesluit in bewaring (r.o. 2). Zitting 28 april 2026.
- Kader (r.o. 2-3). Uit Aroja volgt dat alle bewaringsperioden ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit worden opgeteld en dat voortzetting na zes maanden alleen kan na een verlengingsbesluit. Artikel 59, zesde lid, Vw staat verlenging met ten hoogste twaalf maanden toe als de vreemdeling niet meewerkt of documenten uit derde landen ontbreken. Een aparte verzwaarde belangenafweging is niet nodig (RVS 2019:4460, r.o. 1.2; RVS 2024:2245, r.o. 2).
- De standaardpassage (r.o. 4). In de maatregel staat: “De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldige terugkeerbesluit maakt dat de duur van zes maanden (…) is verstreken. Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden (…)”, met verwijzing naar de toelichting op onderduikrisico, zicht op uitzetting en evenredigheid. De zin “Omdat betrokkene 180 dagen in bewaring heeft gezeten” leest de rechtbank als: meer dan 180 dagen.
- Passage volstaat (r.o. 5). Niet in geschil is dat de passage een geldig verlengingsbesluit is. De minister mocht verwijzen naar de toelichting op de gronden; daaruit blijkt concreet dat eiser niet meewerkt (paspoort kapotgemaakt, niets ondernomen voor een identiteitsdocument, geen IOM-gesprekken).
- Geen oordeel over een eerder moment (r.o. 6-7). Ter beoordeling staat alleen de periode van 31 maart tot en met 28 april 2026. De rechtbank ziet geen ruimte om te oordelen of het verlengingsbesluit al eerder had moeten worden genomen. Relevant is alleen dat bij de oplegging een rechtmatig verlengingsbesluit is genomen.
- Niet apart gehoord, niet geschaad (r.o. 8-10). Eiser is niet expliciet gehoord over het voornemen tot verlenging. Volgens de minister is de absolute einddatum 26 september 2026; dat is ook de einddatum van een niet-verlengde eerste maatregel. Omdat eiser in beide gevallen in dezelfde rechtspositie verkeert, is hij voldoende gehoord en niet in zijn belangen geschaad.
- Gronden en lichter middel (r.o. 11-15). Zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d en lichte gronden 4a, 4c en 4d zijn niet betwist en dragen de maatregel. Het betoog over een lichter middel is niet geconcretiseerd; eiser zei in het gehoor zelf dat hij het goed vond om in bewaring te gaan.
- Uitkomst (r.o. 16-17). Beroep ongegrond, schadevergoeding afgewezen, geen proceskosten. Hoger beroep binnen één week.
Rotterdam: beroep gegrond
Rb. Den Haag | Rotterdam | 27-05-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:17702 | NL26.27174 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a en lid 6 Vw) | Beroep gegrond
Feiten en overwegingen
De nationaliteit is niet vermeld in de uitspraak. De minister legde op 7 mei 2026 de maatregel op; zitting 27 mei 2026. Eerdere bewaringen op basis van hetzelfde terugkeerbesluit van 14 december 2021 liepen van 22 juni 2024 tot en met 23 augustus 2024 en van 9 september 2024 tot en met 7 februari 2025, samen meer dan zes maanden (r.o. 2).
- Dezelfde passage (r.o. 1). Onder het kopje “Verlengingsbesluit > 6 maanden” staat woordelijk dezelfde passage als in de Utrechtse zaak.
- Te laat (r.o. 2). Volgens Aroja, punt 87, moet een verlengingsbesluit worden genomen vóórdat de maximale duur van zes maanden op grond van één terugkeerbesluit is bereikt. Die duur was al overschreden, “zoals ook in het besluit is onderkend”. Er mocht geen verlengingsbesluit meer worden opgesteld; de maatregel is van meet af aan onrechtmatig.
- Ook zienswijze vereist (r.o. 3). Los daarvan: zoals Groningen overwoog in RBDHA 2026:9108, moet de vreemdeling vóór de oplegging zijn zienswijze over een verlengingsbesluit kunnen geven. In het gehoor is verlenging niet besproken; ook die werkwijze is onrechtmatig.
- Uitkomst (r.o. 4-6). Beroep gegrond, opheffing per 27 mei 2026. Schadevergoeding EUR 2.600 (2 dagen politiecel x EUR 160 en 19 dagen detentiecentrum x EUR 120). Proceskosten EUR 1.868 (2 punten x EUR 934). Hoger beroep binnen één week.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10514, ECLI:NL:RBDHA:2026:17702: deze uitspraken
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9108: Groningen, zienswijze vóór een verlengingsbesluit
- ECLI:NL:RVS:2019:4460 (r.o. 1.2) en ECLI:NL:RVS:2024:2245 (r.o. 2): geen aparte verzwaarde belangenafweging bij verlenging
- HvJ 5 maart 2026, Aroja, C-150/24, ECLI:EU:C:2026:148, punt 87
- Art. 59 Vw 2000, art. 5.1b Vb 2000, art. 15 lid 6 Terugkeerrichtlijn





