ABRvS | n.v.t. (hoger beroep tegen Rb. Den Haag, zp Rotterdam, 20-2-2026, NL26.6234) | 11-05-2026 | ECLI:NL:RVS:2026:2639 | BRS.26.000908 | Vreemdelingenbewaring (art. 59a Vw) | Hoger beroep vreemdeling gegrond, beroep alsnog gegrond
Feiten en procesverloop
De minister stelde appellant op 2 februari 2026 in bewaring op grond van artikel 59a. Hij stelde dat Zwitserland een Dublinclaim van Nederland had geaccepteerd en Nederland een claim van Duitsland had afgewezen (r.o. 1). Zwitserland accepteerde de claim in 2021; daarna vertrok appellant met onbekende bestemming en verliep de overdrachtstermijn. Op 16 december 2025 wees de minister een claim van Duitsland af, omdat onduidelijk was waar appellant had verbleven (r.o. 2.2). De rechtbank verklaarde het beroep op 20 februari 2026 ongegrond.
Overwegingen Afdeling
- Onderzoeksplicht vóór de bewaring (r.o. 2.1). Het enige vereiste van artikel 59a is naleving van artikel 28 Dublinverordening. Omdat bewaring een bezwarend besluit is, moet de minister vooraf de relevante feiten onderzoeken en beoordelen of er een concreet aanknopingspunt is en of de overdrachtstermijn niet is verstreken (RVS 2021:944, r.o. 4).
- Onduidelijkheid weggenomen in het gehoor (r.o. 2.3). In het gehoor van 2 februari 2026 verklaarde appellant dat zij alleen in België bij familie had verbleven. De minister had toen moeten concluderen dat hij door het verstrijken van de termijn verantwoordelijk was geworden en de Duitse claim op onjuiste gronden had afgewezen. Dat bevestigen de Duitse afwijzing van 13 februari 2026 en een memo van de minister van dezelfde datum, die de minister niet in de procedure bij de rechtbank inbracht.
- Geen actueel aanknopingspunt (r.o. 2.4). De motivering van de weigering van de Duitse claim, of de daarop volgende claim van Nederland op Duitsland, is geen actueel concreet aanknopingspunt. De minister voldeed niet aan zijn bewijslast; onjuiste grondslag, onrechtmatig vanaf het begin.
Conclusie en gevolgen
- Uitspraak (dictum gelezen): I. hoger beroep gegrond; II. uitspraak van de rechtbank vernietigd; III. beroep gegrond. Geen bevel tot opheffing, want de maatregel was al op 18 februari 2026 opgeheven (r.o. 3).
- Schadevergoeding: EUR 2.040 over de periode 2 februari 2026 tot en met 18 februari 2026 (dictum IV). Geen uitsplitsing naar dagtarief.
- Proceskosten: EUR 2.802 voor beroep en hoger beroep (dictum V).
- Rechtsmiddel: geen. Uitspraak met toepassing van art. 8:54, eerste lid, Awb.






Geef een reactie